"Goesting geeft de doorslag"

interview met Jolente De Keersmaeker en Frank Vercruyssen

Met STAN aan tafel gaan voor een interview is niet altijd evident. De binnen- en buitenlandse engagementen zijn talrijk en de groepsleden zijn soms in verschillende windstreken verspreid. Damiaan De Schrijver maakt zich op voor een Franse tournee met My dinner with André, dus gaan we het gesprek aan met Frank Vercruyssen en Jolente De Keersmaeker, STAN-kern van het eerste uur en op dit moment in het land.

We willen het vooreerst al eens hebben over die hele diversiteit in jullie werking. Mogen we STAN een Europees gezelschap noemen?
Frank: “Dat klinkt wel heel groots. Kijk, wij spelen in het Frans en het Engels en we hebben al in heel wat Europese landen gespeeld, maar we blijven gewoon teksttheater maken, hoor.”
Jolente: “Bij Europees denken we direct aan Needcompany en Alain Platel, maar misschien zijn wij inderdaad ook wel een Europees gezelschap. Wij zijn in die zin wel uitzonderlijk, omdat we repertoiretheater spelen op Europees niveau. We kiezen stukken van Thomas Bernhard of Jean Anouilh, die we eerst in het Nederlands maken en daarna ook in het Frans of het Engels. Maar je mag inderdaad wel zeggen dat we Europees zijn, want er zijn seizoenen dat we de helft van de tijd in het buitenland spelen.”
Frank: “Onze ingebouwde bescheidenheid opzij zettend kunnen we dus zeggen: ja.”

Het is alleszins een bijzondere manier van opereren, komt dat vanuit een vaststelling dat Vlaanderen te klein is voor STAN?

Frank: “Nee, dat gaat meer over nieuwsgierigheid en goesting. Het is natuurlijk wel zo dat je als jong gezelschap al na een paar seizoenen alle kanten van het land gezien hebt en je begint af te vragen of dat nu alles is, of je dat wil doen tot het einde van je dagen. Dan word je natuurlijk nieuwsgierig naar andere horizonten en andere publieken en hoe dat zou zijn. En aangezien die mensen natuurlijk geen Nederlands gaan leren,  proberen wij het in het Frans of het Engels. Dat is ook een van de voordelen van de Vlaming, dat wij daar redelijk goed in zijn.”
Jolente: “Aan de andere kant is een land als Frankrijk natuurlijk ook een heel groot land, met grote steden en stadstheaters, en kunnen die gezelschappen daar heel lang en heel veel spelen.”

Kregen jullie daar gemakkelijk voet aan de grond?
Frank: “Wel, we hebben daar hard aan gewerkt en een paar mensen ontmoet die dat zeer sterk kunnen sturen: Marie Collin van het Festival d’Automne, Jacky Ohayon van het Théâtre Garonne in Toulouse en in Scandinavië iemand als Sven Å. Birkeland van Teatergarasjen in Bergen; dat zijn sleutelfiguren natuurlijk, mensen waar je op valt en die op jou vallen en die daarvoor willen gaan.”
Jolente: “Nu komen die bijvoorbeeld kijken naar Nederlandstalige premières en zeggen dan dat ze het eventueel graag in het Frans zouden willen hebben.”
Frank: “Niet dat we dat dan automatisch ook doen, maar het zijn wel belangrijke gesprekspartners. Het gaat dan echt over een loyauteitsverhouding en daar zijn we ook wel fier over. Zo hebben we eigenlijk altijd gewerkt, we wilden nooit een soort ‘catalogustheater’ zijn, zo van: je verkoopt aan zoveel mogelijk mensen en we zien wel weer. Nee, wij hebben ons netwerk altijd van persoon tot persoon uitgebouwd, gebaseerd op persoonlijk contact, op basis van horizontaliteit en loyauteit.”
Jolente: “Nu is er ook wel vaak veel vraag, hoor. We kunnen daar zelfs niet altijd aan beantwoorden. Ze hebben daar in Frankrijk ook meer een traditie van lange reeksen. Als wij dan zeggen dat we twee keer komen spelen, dan vragen ze zes of vijf keer per week. Als je daar op ingaat en je speelt op vijf of zes plekken, dan ben je al twee maand onderweg.”

Toeren jullie ook in Nederland?
Frank: “Maar ja, maar dat blijft ‘struggelen’. Als we twintig man hebben in Groningen of Rotterdam, dan zijn we al heel tevreden. Amsterdam dat is wat anders, daar bouwen we wel iets op, maar het blijft vechten. Dat heeft ook iets te maken met het feit dat de Vlaamse ‘vague’ wat over is. Ze zien de Vlaamse gezelschappen niet meer zo graag komen als tien, vijftien jaar geleden.”
Jolente: "Het heeft daar ook wel wat te maken met een gewijzigde mentaliteit, met commerciële dingen die meer aanslaan. Zij hebben het in het algemeen ook gewoon moeilijker, met mensen die minder naar theater komen.”
Frank: “Het geeft soms wel een vreemd gevoel. Als je daar dan komt na een tournee in Frankrijk, waar je soms denkt: “Het is niet vet, vandaag” als er (maar) 300 man in de zaal zit. Dan sta je de week daarop in Rotterdam en hoor je: “Er zijn al 12 reservaties.” Het gaat dan ook niet zozeer om wat je verdient of niet verdient, maar dat je dat meemaakt.”

Hoe gaat het dan ondertussen met de collectiviteit binnen STAN? Het is dan wel geen instituut, maar wel een makers- en spelerscollectief. Hoe zit het met de samenhang terwijl iedereen eigen trajecten aflegt in binnen- en buitenland?
Jolente: “STAN is de som van de delen. Dat is belangrijk.”
Frank: “Iedereen heeft zijn eigen realiteit, die soms heel verschillend is. Als men aan mij vraagt om drie maanden op reis te gaan, wel ja, dan zijn we weg, hé. Terwijl bij Sara en Jolente zich nu andere onderwerpen, zoals de kinderen, manifesteren.”
Jolente: “Wat nu bijvoorbeeld niet kan is om samen met de anderen een paar maanden ergens anders een voorstelling te gaan maken. Door het feit dat de kinderen er zijn lukt dat nu niet, natuurlijk.”

Wat is de ‘lijm’ in het geheel? Waarmee blijft STAN aan elkaar plakken?
Frank: “Dat is altijd wel zo geweest. Als je niet moet, dan wil je wel. Het is niet zomaar dat wij één gezelschap zijn. Wij hebben krachten, goestingen, smaken en energieën die samenlopen, en een pad in het Vlaamse theater. Het ‘samen’ is er sowieso, maar het feit is dat het gezelschap een vehikel is om de dromen van de individuen te vervullen en sommige van die dromen zijn om samen voorstellingen te maken. Dan zoeken we elkaar weer op. Door het feit dat het niet moét, is het dan ook heel organisch als het gebeurt.
Maar het is wel zo dat ieder van ons de goesting en de tijd en de toestemming van het collectief heeft om andere dingen te doen.”

Wanneer wordt beslist of iets een STAN-productie is?
Frank: “Alles wat met de mensen, de middelen en het geld van ons gezelschap gemaakt wordt, is een STAN-productie..”
Jolente: “Ja, maar ik weet niet of dat zijn vraag was, hé. Het is niet altijd zo dat alles waar iemand van ons in meespeelt een co-productie is. Als ik bijvoorbeeld iets ga doen bij Anne Teresa, bij Rosas, dan ben ik niet in dienst bij STAN, maar wel bij Rosas.”
Frank: “We beslissen dat ook wel stuk per stuk, of iets een samenwerking met STAN is of niet. Dat zijn gesprekken die altijd wel doorlopen. Zo was er wel een gesprek over The Monkey Trial , dat ik samen met Robby Cleiren maakte. Toen hebben we ons afgevraagd of dat enkel STAN was, of dat we toen ook een co-productie maakten met De Roovers. Het is anderzijds ook niet zo dat de naam STAN altijd meegaat, ook als je iets alleen doet.”
Jolente: “Ik denk wel dat we de laatste jaren een goede balans hebben gevonden in de dingen die we samendoen en waar het weer een beetje uitdeint. Er was een periode dat het goed was dat we mekaar een beetje gerust lieten of dat we meer kleine dingen deden en ‘en petit comité’ - Frank en ik of Damiaan en ik - met elkaar werkten. Nu is het de laatste drie jaren zo, sinds we samen Poquelin gemaakt hebben, dat we elkaar weer iets vaker opzoeken om samen dingen te maken. Dat is een soort golfbeweging en dan blijkt dat je daar ook geen schrik van hoeft te hebben. Soms is er dan blijkbaar een moment dat je verder van elkaar staat, maar dan ontstaat er weer de goesting om samen iets te doen.”
Frank: “Tegelijkertijd moeten we ook niet onder stoelen of banken steken, dat het zo prozaïsch is dat je samen een productiemaatschappij hebt of bent, en dat je daar ook voor wil staan.”

Zijn er cruciale momenten, waarop jullie statuten bepalen dat er samen moet beslist of gehandeld worden?
Frank: “Neen, dat speelt altijd in de hoofden van de mensen, maar de agenda wordt toch altijd voor het grootste deel bepaald door de goestingen van de mensen. En die goestingen worden beïnvloed door al die voorgaande dingen. Soms moet er natuurlijk wel eens technisch gesproken worden. Bijvoorbeeld als we tot de vaststelling komen, na het uitschrijven van al onze goestingen en plannen, dat als we alles zo uitvoeren, we een heel jaar niet in België spelen. Hoe doen we dat? En dan moet er wel eens iets wijzigen.”
Jolente: “Of dat we vaststellen dat we onszelf artistiek beconcurreren of elkaars premières niet meer kunnen zien.”

Kunnen jullie zelf in die lange, organisch voortvloeiende stroom van jullie werking zelf bepaalde mijlpalen aanduiden, die belangrijk waren voor het gezelschap, die eventueel een keerpunt waren?
Frank: “Wel, je kan daar op verschillende manieren op antwoorden. Louter artistiek, op vlak van spelen, of organisatorisch. Public Enemy was bijvoorbeeld een scharniervoorstelling, Ernst ook, dat was de eerste die we in een andere taal maakten.”
Jolente: “Ik vond Public Enemy ook een heel belangrijke voorstelling, niet enkel omdat we ze ook in het Frans hebben gespeeld, maar ook op artistiek vlak, zoals we dat met ons vieren gemaakt hebben, Frank, Damiaan, Sara en ik, op alle vlakken, ook qua scènebeeld, was dat fel gereduceerd, een kaalslag eigenlijk, alleen heel sterk op de tekst betrokken. Dat was ook in de periode van Antwerpen ’93 (culturele hoofdstad) en ik vond dat toen ook wel een soort politiek statement tegenover de stad.”

Wat zijn jullie objectieven voor de komende periode?
Frank: Er zijn een aantal voorstellingen die we gaan spelen, bv. op het festival in de Arabische wereld, dat door Frie Leysen (voorheen deSingel en Kunstenfestivaldesarts) wordt voorbereid. Er is ook iets in Rio de Janeiro dat we proberen georganiseerd te krijgen. Dat zijn al enkele ijkpunten voor de komende twee jaar. En dan zijn er nog al die plannen, zoals de eerstkomende Creatie Lente 2007 en dan het najaar een kluwen van voorstellingen: de Engelse versie van The Monkey Trial , het Franse Sauve qui peut , nusch in het Frans

Zien jullie ook bepaalde affiniteiten met andere gezelschappen waar toekomstige projecten uit kunnen groeien?
Frank: “Ja, dat gaat vaak tussen personen, die we kennen. Bv. met Robby Cleiren, Sara De Bosschere en Sofie Sente van De Roovers zijn er goeie contacten, met de jongens van Olympique Dramatique, Stijn Van Opstal doet nu mee met de nieuwe productie

Over de nieuwe productie kon tot nu toe nog niet veel gezegd worden. Het publiek heeft alvast positief gereageerd op de komst ervan, maar over de inhoud is nog niet veel geweten.
Frank: “De tekst blijft voor ons natuurlijk het uitgangspunt. Dat is gewoon ons temperament. Ik heb bijvoorbeeld niet zo’n sterke visuele ambities bij het maken van voorstellingen. Niet dat het helemaal afwezig is, hoor, maar multimediaspektakel à la Guy Cassiers of The Wooster Group is niet echt aan ons besteed. Het is niet voor niets dat we daar in of/niet staan met enkel ons plastieken zakskes. Als je mij vraagt om iets te doen, dan ga ik op zoek naar tekst. Zo zitten wij gewoon in elkaar. Ik geloof dat we slechts één keer een voorstelling gemaakt hebben zonder tekst, voor ons tienjarig bestaan (lacht) Hoe heette dat ook weer?”
Jolente: “Kom dat zien, wij zwijgen!” (grinnikt)

tekst Dirk Van Driessche / foto's Gert Cools, Acc'enten, maart 2007

Nederlands