Het failliet van de klokkenluider

Op het podium staan zeven acteurs, mannen zonder broek, vrouwen met de rok opgeschort. Ze zien er weinig kwetsbaar uit in al hun schaamte. Ze stralen eerder dreiging uit.

Dan dalen er kroonluchters neer en klinkt er hofmuziek. Het werkt als een opluchting. Wat een stemmig sfeertje, plots. Nu gebeurt er tenminste iets. "De oorlog is voorbij", zegt Frank Vercruyssen, "we smaken een diepe vrede en danken deze rust aan de grootste koning van de wereld." Met de oorlog in Irak nog vers in het geheugen, zou je er haast bij vergeten dat dit slaafse plichtplegingen zijn waarmee Molière zijn blijspelen placht inleidt.

In een sofa zit Damiaan De Schrijver als een gek met een bel te zwaaien. Het typetje van De ingebeelde zieke is aan hem welbesteed. "Iedereen is toch doof", zegt hij. "Dan kan ik toch evengoed niet bellen?" De theatermaker heeft zijn failliet als klokkenluider ingezien. En verzaakt. In de tweeënhalf uur die volgen, houdt tg STAN zich van zijn gebruikelijke engagement en serveert het alleen maar blijspelen en dijenkletsers.

Het gezelschap rijgt in Poquelin, de geboortenaam van Molière, een reeks korte of kort gemaakte stukken van de zeventiende-eeuwse Franse blijspelschrijver aan elkaar. Het collectief hanteert daarvoor niet langer zijn afstandelijke ironie en duikt onvoorwaardelijk in de snorren; het gelooft vol overgave in het spel der vergissingen en speelt enthousiast op de zaal. Er worden listen opgezet, huwelijksaanzoeken gedaan en lavementen gestoken dat het een lieve lust is. Adriaan Van den Hoof voelt zich in dit soort situaties uitermate in zijn sas. Met een bijl gaat hij de houten plankenvloer te lijf.

Er hangt lang geknetter van elektriciteit in de lucht. Soms komen de acteurs tot tussen het publiek, dat langs drie zijden vlakbij het podium zit. Maar tegen het ogenblik dat de speedversie van Sganarelle er aankomt, verslapt geleidelijk de impact. De opeenvolging van geveinsde verbazing of ontzetting bewijst zijn eindigheid. Als de acteurs elkaar afrossen met kartonnen buizen of zelf de slappe lach krijgen, dan lijkt het op een uit de hand gelopen kinderspel.

Poquelin eindigt met drie dames die een verrukte dichter aanbidden tot ze er bij in zwijm vallen. De speelstijl is dan zo over the top en het schmieren zwelgt zodanig in wansmakelijk zelfbehagen, dat het hele systeem zichzelf uitholt. Onder het verzwakkende licht, dooft de voorstelling uiteindelijk zichzelf uit.

De Standaard, Geert Sels, 24 mei 2003

Nederlands