Overdaad kluchtige Molière slaat dood

Af en toe een barokmuziekje en de prachtige silhouetten die de kroonluchters op de strakke wanden werpen. Ziehier wat is overgebleven van de keurig-burgerlijke wereld van Jean-Baptiste Poquelin, oftewel Molière. En jawel die wereld werd bevolkt door ingebeelde zieken, vrekken, meiden en lakeien, vicomtes en comtessen wie niets menselijks vreemd was, maar bij het Vlaams gezelschap STAN maken ze er een nog dollere boel van die zijn weerga niet kent.

Na hun juist met de Grote Theaterfestivalprijs 2003 bekroonde voorstelling Vraagzucht waarin tal van maatschappelijke kwesties op eigen wijze aan de orde werden gesteld, gooit het gezelschap het nu over een heel andere boeg: die van het uitgelaten vermaak zonder direct noodzakelijke boodschap. Ze (her)lazen het oeuvre van Molière (1622-1673) en kozen er uiteindelijk een aantal stukken uit die ze aaneensmeedden tot een groot, gek blijspel in vier delen.

Poquelin begint nog herkenbaar: pontificaal op het opgehoogde toneel troont Damiaan De Schrijver, onmiskenbaar als hypochonder Argan uit Le Malade Imaginaire . Maar binnen de kortste keren is de sfeer bepaald baldadig, op een manier die aan de commedia dell'arte raakt. Sara De Roo als de echtgenote is lekker vals, Jolente De Keersmaeker als dochter bijzonder naïef, Adriaan Van den Hoof goed driftig, Tine Embrechts een stoute meid die zich het volgend moment met plaksnor als negentigjarige wonderdokter ontpopt, en ook Frank Vercruyssen is meerdere figuren tegelijk. Het ene complot volgt op het andere en menigeen krijgt het tussen de bedrijven door gemeen voor zijn kiezen, maar daar wordt nauwelijks bij stilgestaan: door gaat het, naar de volgende episode.

In de daaropvolgende delen, gebaseerd op twee van Molières wat minder bekende blijspelen, wordt het alleen maar hilarischer en slaat de slappe lach regelmatig toe. Jammer is dat dit uiteindelijk ook de spelers gebeurt. Als Frank Vercruyssen op enig moment wraak zweert en in middeleeuwse wapenrusting de scène onveilig maakt, hebben zijn tegenspelers het niet meer. Begrijpelijk, en niks mis met spelplezier, maar op gegeven moment hebben zij meer lol dan wij en gaat een en ander ten koste van de vaart van het geheel.

In het slotstuk hebben ze zichzelf weer in de hand, maar het tempo wil niet meer terugkomen. Zwaarwichtigheid en grenzeloze vleierij worden hier onder een laaghangende kroonluchter uitgelicht, om er tegelijk mee te worden gedoofd. Wat daas van alle overdaad verlaat je de zaal.

de Volkskrant, Karin Veraart, 10 oktober 2003

Nederlands