De toeschouwers als pottenkijkers, twee acteurs aan een rijkelijk besproeide tafel: dat zijn de veelbelovende ingrediënten van My dinner with André. Helaas blijft het wachten op een interessante probleemstelling.

Na een verwarrende ervaring als danser bij het gezelschap van Twyla Tharp, gaf regisseur André Gregory zijn carrière als theatermaker op en stortte zich in vele wilde experimenten: reizen naar alle uithoeken van de wereld, gesprekken met boeddhisten en wetenschappers, en bovenal een gepassioneerde deelneming aan Grotovski's experimenten met participatietheater.

Toen hij zijn tien jaar jongere vriend en toneelauteur Wallace Shawn wilde betrekken in een nieuw musicalexperiment, bleek die daar allerminst voor te vinden. Hij vermoedde dat Gregory compleet het noorden was kwijtgeraakt. Shawn wou echter wel aan de weet komen hoe Gregory in die toestand beland was. Gesprekken daarover resulteerden uiteindelijk in een film van Louis Malle, My dinner with André.

Het scenario ervan werd het uitgangspunt voor een toneelavond van drie en een half uur. Peter Van den Eede van Cie De Koe in de rol van Gregory en Damiaan De Schrijver van Stan als Shawn, geven bespiegelingen over het leven en het theater ten beste onder het nuttigen van een goed besproeide maaltijd. Michaël Pas is de gelegenheidsober.

Van den Eede en Deschrijver beperken zich daarbij niet tot het oorspronkelijke scenario. Op een openlijke manier vallen ze herhaaldelijk ,,uit hun rol'' om zeer persoonlijke gedachten en biografische eigenaardigheden te mengen met het oorspronkelijk gegeven. Bovendien wordt het publiek meer dan eens rechtstreeks aangesproken, waarbij dankbaar gebruik gemaakt wordt van de gêne van de toeschouwers die hier letterlijk pottenkijkers zijn.

Het thema dat het gesprek losjes structureert, is het grote verschil in wereldbeschouwing van de twee disgenoten. Gregory/Van den Eede aan de ene kant zoekt in alles een hogere waarheid, een groter verband, en kan onze beperkte greep op het leven niet aanvaarden. Shawn/Deschrijver aan de andere kant heeft een ingebouwde scepsis tegenover bevlogen 'gezwets'. Hij is de 'pur sang' empiricus. Wat hen echter verbindt is de bekommernis over de betekenis vandaag van artistieke activiteit en zeker van theater.

Dat is inderdaad geen eenvoudige vraag. Helaas blijft het wachten op een antwoord of zelfs maar een interessante probleemstelling: het gesprek meandert doelloos heen en weer.

Je moet het de acteurs nageven dat ze zo uitstekend de draak steken met het bekende diepzinnige café-gesprek, met al zijn platitudes en zelfgenoegzaamheid. Ergerlijk is echter dat achter die parodie ook een reële zelfgenoegzaamheid schuilt. Structuur of tempo vallen nauwelijks te bekennen. In talloze dode momenten is ook voor de acteurs niet duidelijk of hun personage dan wel hun persoontje de bovenhand zal halen.

Melige grapjes moeten de situatie dan redden. Dat haalt op de duur alle fut uit het stuk. Naar het einde toe is het zelfs niet meer grappig.

De Standaard, Pieter T'Jonck, 22 september 1998

Nederlands