Hilarisch idealisme bij STAN

Als er ergens nog een plaats is voor idealen, is het in de wereld van de kunsten. Een mooi voorbeeld van een levensvatbaar ideaal in de theaterwereld is de collectiviteit van het Vlaamse toneelspelersgezelschap STAN. Deze groep acteurs maakt sinds het afstuderen aan het Conservatorium in Antwerpen voorstellingen met veel aandacht voor de taal en het toneelspel. Elke medewerker heeft officieel evenveel zeggenschap over de keuze van stukken, de bewerking en de regie. Niet een esthetisch vormprincipe of een politieke overtuiging vormt de rode draad in het oeuvre van STAN, maar juist deze collectieve werkwijze.

Zo kan het dus gebeuren dat de groep na het zeer actuele, zelfs politieke Vraagzucht , bekroond met de Grote Theaterfestivalprijs 2003, een voorstelling speelt op basis van het werk van de Franse komedieauteur Molière (1622-1673).

In Poquelin , zoals de auteur in werkelijkheid heette, komen bijna al zijn personages voorbij. De hypochonder, de vrek, de nepdokter, wanhopige geliefden, meiden die de dienst uitmaken, jaloerse echtgenoten, geleerd-doende dames en nepdichters. Belust op aandacht, geld en status verbeeldden ze zich ziek te zijn, geloven elke kwakzalver die daar weer zijn slag mee slaat, laten zich misleiden door hun dienstmeiden en bedriegen door hun echtgenoten.

Molière schreef zijn stukken voor het gezelschap waar hij aan verbonden was, het Illustre Théâtre, dat na een aantal omzwervingen in Parijs neerstreek en er furore maakte. De auteur speelde zelf vaak en met succes de door hemzelf geschreven, komische hoofdrol. Stan past nu in feite dezelfde strategie toe met de bewerking, waarbij de rollen de acteurs op het lijf geschreven zijn. Het gezelschap noemt zich voor de gelegenheid 'Le troupe imaginaire' en de acteurs doen inderdaad vakkundig alsof ze toneel spelen. Het spelplezier straalt ervan af, zelfs als een van de lampen knapt en de scène, onder grote hilariteit van het publiek en de spelers zelf, een paar keer opnieuw moet worden ingezet.

STAN blijft daarbij trouw aan Molière en geeft een hilarisch beeld van de lafhartige drijfveren van de mens. Het openingsbeeld is illustratief: als standbeelden en onder begeleiding van hofmuziek, vorsen de acteurs op het verhoogde podium het publiek, dat er aan drie kanten omheen is geplaceerd. Hun kostuums, die vele maten te groot zijn, hangen onder hun blote borsten of zijn net boven het blote onderlichaam opgetild. De demonstratie van de onderkant van de mens zal de gehele voorstelling leiden. In vier steeds kortere verhalen, van elkaar gescheiden door muziek met onder meer een viool die enorme uitglijders maakt, tonen de spelers de werkelijke ambities van de mens.

Bedrog en misleiding worden beloond: de verhalen lopen altijd goed af, hoe ongeloofwaardiger hoe beter. Helaas is het laatste verhaal niet goed getimed en té onaf, waardoor de voorstelling net als het dimmende licht, als een nachtkaars uitgaat. Met hoge stemmetjes en piepende, hijgende, kukelende samenspraak, een te laag hangende kroonluchter, opplaksnorren, historisch wapentuig, onlogische opkomsten en onnavolgbare lichtwisselingen benadrukt STAN steeds dat er, met verve, toneel wordt gespeeld.

Het is deze aandacht die de groep vraagt voor hun samenwerking vol energie en levenslust, waarmee zij niet alleen een vermakelijke avond theater biedt, maar ook een opvallende, ideële positie inneemt in de huidige maatschappij.

Het Financieele Dagblad, Cécile Brommer, 11 oktober 2003

Nederlands