De eindeloze geschiedenis

The Monkey Trial is een hoogtepunt in het theateraanbod van dit najaar.

Tg STAN (Stop Talking About Names) is een van de meest gekende toneelspelersgezelschappen binnen wat men noemt de Vlaamse golf. De groep werkt zonder regisseur of dramaturg en bewerkt de meeste van de teksten die ze spelen zelf.

STAN bezocht Noorwegen al verschillende keren en The Monkey Trial , dat deze week tot en met vrijdag in Black Box Teater speelt, maakt de verwachting een hoogtepunt van dit theaternajaar te zijn meer dan waar. Het betreft een documentairedrama over de rechtszaak in Dayton, Tennessee, in 1925 waar een biologieleraar terecht stond voor het onderwijzen van Darwin’s evolutietheorie. In januari van hetzelfde jaar werd een wet van kracht die dit onderwijs verbood in alle publieke scholen, inclusief de universiteiten. Een van de voorvechters van de wet, William Jennings Bryan, was tevens een van de aanklagers in het proces en is ook een van de protagonisten in de voorstelling.

‘The Scopes Trial’ was een van de grote media-evenementen van zijn tijd. Al op voorhand bestond sterke interesse voor het voeren van een dergelijk proces. Zowel vragen rond de academische vrijheid, als het gebrek hieraan, zetten het op de agenda. Maar de sensatie die de rechtszaak losmaakte, kwam vooral voort uit het onderwerp: de autoriteit van het bijbelse scheppingsverhaal versus de evolutietheorie, die populistisch uitgelegd, stelt dat de mens van de aap afstamt.

De aandacht die het proces op zichzelf vestigde, hield ook verband met het betoog van de verdediging dat gezien kan worden als het Amerikaanse equivalent van Arnulf Øverland’s Christendom de zevende landsplaag (*), tegenover een even sterk betoog van de aanklagers. De jury verklaarde de aangeklaagde, John Scopes, schuldig, maar in de publieke opinie had de retorische slachtpartij een omgekeerd effect. Dat kwam – getuige de voorstelling – vooral door één scène, waarin de verdediging er zowaar in slaagt om de voorman van de aanklagers, Bryan, te laten getuigen. Er worden hem vragen gesteld als: Wie was de vrouw van Kaïn? (Kaïn was immers de zoon van de eerste vrouw ter wereld, Eva). Hoeveel talen en dialecten bestonden er voor de bouw van de toren van Babel? Of: Hoe bewoog de slang zich voort voor de straf van God? Rechtop lopend op zijn staart?

Bryan geeft toe dat de bijbel niet altijd letterlijk genomen kan worden, maar dekt zich in met ondoorgrondelijkheden, verplicht als hij is aan zijn fundamentalistische overtuiging. Het wonderlijke is, dat hij instemde met zijn getuigenis, want eerder (in de rechtszaak én in de voorstelling) hield hij een vlammend betoog waarin hij de aanname verwierp als zou de rechtszaak draaien om wetenschap versus geloof, ze ging immers over de vraag of Scopes de wet had overtreden. En daar had hij toch volledig gelijk in. Maar de verdediging begreep van zijn kant dat het vanzelfsprekend was over het onderwerp te spreken dat het publiek zo bezig hield.

Aan het begin van de voorstelling wendt Frank Vercruyssen zich naar het publiek en zegt dat The Monkey Trial in zijn geheel bestaat uit de authentieke transcriptie van het proces (dat op de radio werd uitgezonden) en dat de enige vrijheid die de makers genomen hadden het knippen in de tekst was geweest, om acht dagen proces terug te brengen naar een voorstelling van tweeëneenhalf uur. Natuurlijk “komt het erop aan hoe snel we spreken”. Dat geloof ik graag. Want hadden de acteurs hun spreektempo niet af en toe verdubbeld, was de duur van de voorstelling gaan doorwegen. De rijke taal vraagt af en toe veel inspanning, maar geeft de enscenering een realistisch, of authentiek, fundament. En men hoeft ook niet elk woord te verstaan.

The Monkey Trial is een voorstelling die zich richt op het hoofd, niet op de emotie. Iets dat je eigenlijk niet verwacht wanneer acteurs ‘protest’ theater maken. Dat maakt de voorstelling dubbel bevredigend. Tg STAN brengt de materie op een wijze waarvan het verleidelijk is ze als nederig te bestempelen, in de beste zin des woords. De acteurs willen geen conclusies trekken ten voordele van het publiek. Aan de andere kant geven zij (als acteurs) hun vakmanschap prioriteit boven het esthetische, in de betekenis van effecten en vormgeving. Er bestaan weinig voorbeelden van zulk een subtiele omgang met spelen en niet-spelen, en zo’n briljant vermogen om de situatie naar de hand te zetten. Bijvoorbeeld wanneer de farce van het proces maakt dat de acteurs de slappe lach krijgen, draaien ze de situatie direct daarna evengoed om naar een serieuze strijd op leven en dood.

De acteurs verhouden zich in een subtiele balans tot zowel de authentieke geschiedenis als het spelen hier-en-nu, zodanig dat het publiek uitgenodigd wordt stil te staan bij de relatie tussen werkelijkheid en fictie binnen het theater. De acteurs situeren hun personages anno 1925 op een manier die Gene Hackman vast instemmend herkend zou hebben, maar ze dalen tegelijkertijd nooit af naar de diepste emotielagen. Zo wordt de aandacht van het publiek ook gericht op de relatie tussen werkelijkheid en fictie binnen het thema van de voorstelling, en hierin wordt de relevantie van het verhaal dat ons wordt verteld duidelijk, zij het op een complexe manier.

Het materiaal is natuurlijk van dien aard dat 99 procent van het publiek op de hand van de evolutieaanhangers zal zijn: voor de verdachte en diens verdedigers. We kennen dezelfde geestdrift wanneer we lezen over de cultuurradicalen van het interbellum (**), een beweging die echter in vele gevallen niet sterker bleek dan een flauwe bries.

The Monkey Trial heeft alle kenmerken van een klassiek Grieks drama, met name in de persoon van Bryan, die zichzelf kwetsbaar heeft gemaakt door zijn eigen ‘dode hoek’. Hij houdt vast aan een fundamentalistisch programma, maar toont zulke grote zwakheden in zijn argumentatie dat het plausibel is te denken dat hij eigenlijk een andere agenda had. Hij was misschien het meest bevreesd dat de evolutionisten de weg vrij zouden maken voor het Sociaal-Darwinisme.

Prijzenswaardig aan The Monkey Trial van tg STAN is dat de voorstelling ruimte laat voor de gelaagdheid die de thematiek vandaag de dag kent. Het is duidelijk dat ze hoogst relevant is ten opzichte van de fundamentalistische neigingen van de VS, misschien meer nog toen de voorstelling gemaakt werd in 2004. En even relevant ten opzichte van de fundamentalistische Islam. Maar het is tegelijkertijd geen voorstelling die het publiek aangenaam achterlaat met een cultuurradicale ideologie. Het gaat om de zaak, maar het gaat ook over het prestige dat men aan de zaak toedicht, en om de farce – of de tragedie – die  daarvan het gevolg is.

Klassekampen, Therese Bjørneboe, 7 december 2007

(*) Arnulf Øverland is een Noors schrijver die zich in het interbellum ontpopt als zogenaamde cultuurradicaal. Tijdens de jaren dertig vond in Noorwegen een strijd plaats tussen de cultuurradicalen en de cultuurconservatieven. De radicalen hingen de psychoanalyse van Freud aan en pleitten voor een vrijere levenstijl, vrijere opvoeding en wilden zich ontdoen van de ketenen van het Christendom. De conservatieven hielden vast aan een strenge, gedisciplineerde (Lutherse) levenstijl, waarbij het christendom wel een grote rol speelde. Na een redevoering op een universiteit in 1933 werd Øverland opgepakt en wegens blasfemie voor het gerecht gedaagd.

(**) zie hierboven