Vrouw als gedachtestreepje

De scène baadt in het groen, door de projectie van een stille tuin tegen de achterwand. Tegen twee op elkaar gestapelde divans, yin en yang, staat als een kaarsrechte plank een vrouw geleund. Haar uitdrukking zie je nauwelijks. Ze zucht, glijdt onderuit, als een dweil van het aanrecht. Dan krabbelt ze weer overeind, om alles nogmaals over te doen. En nog een keer. Zo begint Het was zonder twijfel een ongeluk , een monoloog van Natali Broods in de allereerste productie van tg STAN zonder één van de vier kernleden op scène. Broods staat er alleen voor, net als deze vrouw in haar huiselijke wereld tussen zetel en achtertuin. Huiskamerdramatiek of een algemeen menselijke vertelling?

Wanneer het scènelicht opgaat, vindt Broods met haar ogen het publiek. Ze zoekt. Het is het moeilijkste moment van elke monoloog: beginnen spreken tot de zaal, de enige instantie waar je personage zich tot kan richten. Maar waarom zou het dat doen? Deze vrouw móet spreken. Omdat ze al te lang gezwegen heeft, is haar spreken zelf haar verhaal. "Ik moet over Stella spreken. Ik moet over haar spreken om haar te kunnen vergeten. Ik wil mijn oude, rustige leven terug. Het huishouden regelen, de kinderen verzorgen, uit het raam in de tuin kijken. Daar was ik tevreden mee." Meteen bekent Het was zonder twijfel een ongeluk zich tot een specifiek repertoire: de voornamelijk negentiende-eeuwse, vrouwelijke huiskamerliteratuur, met uitlopers in drama's als Een Poppenhuis van Henrik Ibsen. Vrouwen komen erin voor als moeder en echtgenote, met een blikveld waarvan de horizon samenvalt met hun behangpapier. Net die begrenzing is in Broods' monoloog, hoewel gebaseerd op de modernere novelle Wir töten Stella (1958) van de Oostenrijkse Marlen Haushofer, extreem doorgetrokken. Haar personage raakt nauwelijks verder dan het raam, topos bij uitstek van gevangen melancholie. Daarachter vormt de wereld een onbekende bedreiging, het speelterrein van haar uithuizige echtgenoot Richard. Haar eigen haven was altijd binnen: het gezin, de zorgen, haar kinderen Wolfgang en Annette. Tot Stella kwam binnengevaren. Het pleegmeisje kreeg iets met haar man. En sprong daarop onder een vrachtwagen. Dood.

Dat Broods' personage die ontknoping (net als bij Haushofer) al in het begin prijsgeeft, maakt van haar monoloog iets anders dan een tragische vertelling. Het is meer een toestand: het uitkauwen van haar betrokkenheid, haar mogelijke schuld. Niet om Stella rouwt ze, maar om haar eigen rol als moeder. "Ik stond rustig toe dat voor mijn ogen Stella werd vernietigd." De combinatie in deze bekentenis tussen in ogenschouw nemen en niet ingrijpen, karakteriseert haar hele alleenspraak. In tegenstelling tot haar daadkrachtige man is deze vrouw de eeuwige observator. Dat geeft haar woorden bijzondere stijlconsequenties. Zintuiglijke details regeren, zoals het fluiten van haar man of twee losgescheurde knoopjes aan Stella's blouse. Het zijn die details die spreken, suggereren. Het zijn zij die de gespannen, claustrofobische sfeer maken waar de hele vertelling in baadt. Zelf lijkt de vrouw van die waarnemingen vervreemd, alsof ze buiten haar om gebeuren. Broods raffelt ze af als een ongeïnspireerde spreekbeurt, als een sec verslag. Steeds opnieuw passeert haar personage daarin dezelfde observatie: het piepende vogeljong dat buiten in de tuin, aan de andere kant van het raam, vergeefs zijn moeder aanroept. Het beestje helpen lukt de kijkende vrouw niet, tot op dat verzwakkende gepiep alleen nog stilte volgt. "Waarschijnlijk ligt zijn kleine lijkje nu in de struiken." Bij dat van Stella, dus. Elk appel om zorg is door deze moeder onbeantwoord gebleven, en die onomkeerbare wetenschap is het enige wat haar rest. Ze walgt van zichzelf en van haar lafheid binnen de huwelijkspatronen.

Het gaat Broods meer om die lafheid dan om die huwelijkspatronen. Dat merk je als je haar tekstbewerking (gemaakt samen met STANleden Sara De Roo en Jolente De Keersmaeker) naast Haushofers oorspronkelijke novelle legt. Licht cynische mansbeschouwingen, die de Oostenrijkse na haar dood in 1970 de snelle stempel ‘feministisch' opleverde, zijn subtiel uit Wir töten Stella geschrapt: "Het leven met Richard heeft me afgestompt en lusteloos gemaakt. Alles waar ik aan begin is zinloos, sinds ik weet dat er vriendelijke moordenaars zijn." Ook beladen benoemingen van de situatie van deze vrouw in termen van een ‘kerker' zijn er eruit, net als al te duidende passages waarin Haushofer een maatschappelijke verklaring geeft voor het beschreven drama. Broods heeft een algemene aanspraak willen bereiken, weg van de lange Noratraditie na Een Poppenhuis en weg van de fiftiessfeer van Wir töten Stella. De paradox is wel dat haar personage zo juist meer opschuift naar wat door de eeuwen altijd al het (mannelijke) cliché van artistieke vrouwen was: dametjes die zich verlustigen in al te veel huiskameranekdotiek, van cactussen tot huiswerk. Met het schrappen van overstijgende beschouwingen als "steeds moeten de denkenden zich realiseren dat ze leven, maar de levenden hoeven niet te denken", verduistert Broods precies dat denkende wezen in haar eigen personage. Nu haar nadruk komt te liggen op de huiselijke situatietjes die het verhaal stuwen, klinkt haar rede nog sterker dan bij Haushofer als die van een gemiste moederkloek.

Die paradox is het resultaat van een moeilijke kwestie: de representatie van vrouwenfiguren op de Vlaamse podia. Is het toeval dat verreweg de meeste monologen die de laatste tijd voor het voetlicht kwamen, van vrouwelijke hand waren, gespeeld door actrices? Die alleenspraak lijkt bijna de enige manier om vrouwen genuanceerd in beeld te krijgen, tegenover de nog steeds vrij clichématige rollen die ze krijgen toegedicht in vele mannenstukken. Maar zelfs die monologen zijn niet zonder conflict. Schrijfsters van recente monologen als Chris Van Camp (bvba Borderline) of Gerda Dendooven (Zetelzucht), alsook makers-actrices als Simone Milsdochter (A funny thing happened to me) zeggen allen erg te hebben gekampt met verdachte verwachtingen van de buitenwereld rond ‘het vrouwenportret'. Het heeft geen waardenvrije plek in het Vlaamse theater, moet de conclusie zijn. En hoe ga je daarmee om? Hoe geef je een vrouwelijke solorol een eigen, meerduidige stem zonder vrees voor de stempel ‘vrouwentheater'. Ook voor Broods lijkt dat de hamvraag te zijn geweest, als je haar schrappingen oplijst en je haar voortdurende ontkenning van enig feminisme in een interview in De Morgen erop naleest: "Voor mij gaat het over vrouwen én mannen. Het in de eerste plaats een menselijk verhaal." Een grote uitdaging gaat ze daarmee aan: vertrekken van een traditioneel vrouwelijk genre als huiskamerdramatiek om het over dé mens te hebben.

Op scène slaagt Broods er evenwel in die uitdaging door haar solo te verluchten met vloeiend ingewerkte bewegingssequenties, gerepeteerd met choreografe Charlotte Vanden Eynde. In die intermezzo's wint ze niet alleen alle weggestreepte extra's uit Wit töten Stella terug, maar bereikt ze zelfs een toegevoegde meerduidigheid. Die maakt van Het was zonder twijfel een ongeluk inderdaad een existentieel mensportret. Waar Broods zich met haar lijf tussen beide op elkaar gestapelde divans wurmt om ze zo van elkaar te doen kantelen, wordt haar figuur een schuchtere schildpad én een zelfironische boetelinge. Waar ze zich als een stijve lat boven de leemte tussen twee van elkaar staande zetels uitstrekt, lijkt ze op tante Sidonia na een zenuwcrisis, maar ook een lijfelijke gedachtestreep. Wankelend schuift ze haar blote voeten in de hoge hakken die steeds op wacht blijven staan: als een topzware bloem op een tere stengel.

Al zie je hier een vrouw die zich wil ontworstelen aan de knellende huismoederplichten die ze zichzelf heeft opgelegd, toch hoeft de innerlijke verscheurdheid die daar het resultaat van is, niet langer enkel vrouwelijk te zijn. De dubbele tong waarmee Broods in een grappig stukje een zelf ingezongen versie van Chris Isaaks Wicked Game laat horen - onder haar schriel stemmetje maakt zich langzaam een tweede schreeuwstem los - is die van elk individu. Zo ook het inzicht dat haar personage overhoudt aan haar op voorhand verloren strijd met haar schuld. "Ik denk dat iedere mens een wet in zich draagt en dat er grenzen zijn getrokken die hij niet kan overschrijden zonder dat hij zichzelf vernietigt." Maar waar die grenzen van je rol op deze wereld ook liggen, je moet er wel verantwoordelijkheid voor opnemen. En spreken waar zwijgen niet langer betaamt. Precies bij die gendervrije boodschap past de monoloogvorm als gegoten, en overstijgt Het was zonder twijfel een ongeluk elk huiskamerdrama. Het gaat erom uit de coulissen te treden en je eigen waarheid te wagen, ze op en uit te voeren. Net dat doet Broods hier als soloactrice: ze treft niet enkel met haar uitgebalanceerde totaalconcept tussen tekst en beweging, maar vooral met de individuele noodzaak die je in haar spel voelt. Iets in haar móet dit verhaal brengen en de zaal er recht mee in de ogen te kijken. Een betere voorwaarde voor goed theater is moeilijk te bedenken.

Deze tekst werd geschreven in het kader van Corpus Kunstkritiek.

www.vti.be, Wouter Hillaert, 16 januari 2009

Nederlands