Oude Meesters —
De Schrijver fulmineert (***)

Mahler? Hét dieptepunt binnen het Austro-Germaanse muzikale repertoire. Heidegger? Een Zwarte Woud-filosoof in geitenwollen sokken. Oostenrijkers? De grootste opportunisten ter wereld. Wenen? Beroemd om verkeerde redenen, berucht om zijn toiletcultuur (die nota bene geen cultuur is!). Overal had de in 1989 gestorven Oostenrijker Thomas Bernhard een vernietigende kijk op, zo lijkt het. ‘Alte Meister’, het stuk dat Damiaan De Schrijver (met behulp van een tot souffleur herleidde Jolente De Keersmaeker) na ruim vijftien jaar opnieuw op de planken brengt, heeft immers veel weg van een vernietigende kritiek op wat men vandaag in Europa als ‘de hoge cultuur’ beschouwt. Niets heeft de protagonist gehad aan zijn leven dat hij tussen de canon doorbracht. Aan het eind van de rit wacht, zo lijkt Bernhard uit te dragen, alleen verbittering, behalve voor diegenen die (tijdelijk) troost kunnen vinden in de liefde.

Oorspronkelijk speelt de korte roman ‘Oude meesters’ zich af in het Kunsthistorisches Museum van Wenen, op een steenworp afstand van het doek ‘Man met witte baard’ van Tintoretto. tg STAN verplaatst de ‘actie’ (in feite niets meer dan een langgerekt fulmineren) naar een non-decor, waarin het enige attribuut een tafel is met water en sigaren, en een houten paard waarop Damiaan De Schrijver de bühne wordt opgeduwd. Gezeten te paard begint De Schrijver dan af te geven op de kunsthistorici, die de kunst niet kennen, niet begrijpen en zelfs kapot maken. Van daaruit meandert de monoloog verder richting leraars, die onjuistheden aan hun leerlingen overbrengen en op die manier voor een scheeftrekking van de perceptie van bijvoorbeeld kunst zorgen. Dat op zijn beurt is de aanleiding voor ander verbaal geweld, onder andere over kitsch, het gegeven bewondering en zelfs het ras der drukkers.

Alles en iedereen moet er aan geloven, maar Bernhard ratelt in al zijn kwaadheid wel formidabele zinnen uit zijn pen. De verbittering spat er van af, terwijl het geheel stilistisch nergens platvloers wordt. Toch is de richtingloze woede ook frustrerend. Elk weldenkend mens weet dat Mahler geen vijftig strijkers liet aanrukken enkel en alleen om luider te klinken dan Wagner. En nee, Beethoven was geen componist van pompeuze marsmuziek. Klimt en Schiele bekijkt de mens vandaag overigens terecht met een ontroerd en respectvol oog. Kortom: Bernhard vuurt  in het wilde weg losse flodders af en de vraag die zich aandient is waarom. Natuurlijk moet het toegelaten zijn om de canon in vraag te stellen, maar de auteur heeft een aanleiding nodig om zijn personage tal van ‘leugens’ te laten verkondigen - en precies die legitieme basis ontbreekt hier. Het onduidelijke doel van alle negativiteit die uit Oude meesters spreekt, wreekt zich kortom op de theaterervaring, die op den duur ongeloofwaardig en vermoeiend wordt.

Damiaan De Schrijver, over het algemeen een formidabel acteur, is de tekst bovendien niet helemaal meester. In zijn handen wordt deze bewerking nergens vervelend, maar tegelijk voelt de toeschouwer dat de man geen volledig vat heeft op wat er allemaal op papier staat. Enkele tekstuele haperingen zijn daar een frappant voorbeeld van, hoewel niet het enige. Desondanks blijft Oude meesters de moeite waard, al was het maar om te zien hoe het stijlmiddel van de overdrijving en de karikatuur consequent kan doorgevoerd worden in het theater. De stijloefening is een furieuze, ontaarde monoloog geworden over de dubbelzinnige positie van de kunsten in een mensenleven. Wanneer ze geen troost meer bieden, wat moet je er dan nog mee?

cuttingedge.be , Jan-Jakob Delanoye, 25 april 2012

Nederlands