Monoloog van Bernhard komt recht uit het hart

Sommigen zien de Oostenrijkse auteur Thomas Bernhard als een oude zeur, die zijn woede op alle middelmatigheid en hypocrisie vorm gaf in lange scheldkanonnades. Maar zelfs zijn tegenstanders moeten toegeven dat hij een uniek schrijver was die zijn afschuw verwoordt met een muzikaliteit en een woordkeus die telkens weer verbaast en respect afdwingt.

Maar of zijn woorden in het theater werkelijk bij je binnenkomen en of zijn humor uit de verf komt, hangt af van de acteur. Bij het Vlaamse gezelschap STAN is het Damiaan De Schrijver die in de gedaante van een oude muziekkenner het gevecht aangaat met de tekst en ik zeg het maar meteen, hij doet dat zo weergaloos dat het een onvergetelijke hommage wordt aan de schrijver.

Zittend op een reusachtig houten paard zet de acteur zijn woordenvloed in. Zijn assistente Jolente de Keersmaeker heeft het gevaarte met berijder en al naar de rand van het podium gereden, terwijl De Schrijver angstig kijkt of het niet over de rand zal duikelen. Het is een kermispaard en standbeeld tegelijk en de acteur zit erop als een potsierlijke dwaas, maar ook als een held.

Die dubbelheid zit ook onophoudelijk onder zijn woorden. Hij trekt van leer tegen de cultuur - kunst is louter sentimentaliteit of criminele kitsch -, tegen het lezen, zelf is hij eerder een 'ombladeraar', maar zijn woede is onweerstaanbaar geestig.

Hij is een Don Quichotte die de kunsthistorici haat, het zijn 'kunstvernietigers die met de zweep uit de kunstwereld moeten worden verjaagd'.

Met dezelfde heftigheid bekent hij een 'mensenfanaticus' te zijn. Hij verafschuwt de mensen, maar heeft ook een onblusbare behoefte om ze urenlang gade te slaan. De enige manier waarop hij zich staande kan houden, is door alles en iedereen te zien als een karikatuur: Heidegger in zijn Zwarte Woudhuis of Beethoven die meer 'bulder' componeerde dan muziek.

De Schrijver bedient zich van het grote gebaar, hij zwaait met zijn armen, als een razende beent hij op en neer. Elk woord heeft een overtuigingskracht alsof hij het ter plekke verzint. En het onuitsprekelijke plezier waarmee hij dat doet geeft Bernhards tekst precies de scherpte en het gewicht waar de woorden om vragen.

Bij wijze van intermezzo klinkt af en toe muziek. Na de geestige intro van Mozart, gelardeerd met paardengeluiden, horen we Mahler. De acteur luistert, in vervoering dirigeert hij mee. En af en toe breekt er iets zachts door in deze woedende man. Als hij ontdaan zegt dat hij bij het graf van zijn vrouw niets voelt, wekt hij ineens ook ontroering.

Sinds zij is overleden komt hij regelmatig in deze zaal van dit Weense museum waar de suppoost de enige man is die naar hem luistert. En inderdaad, Jolente de Keersmaeker zit in een stofjas tegenover hem, een en al aandacht, zo nodig een enkel woord soufflerend.

Oude Meesters is een roman waar STAN voor deze monoloog een greep uit deed. Het is een gouden greep, recht uit het hart. Dit is een voorstelling, zo vol vuur, zo komisch en tragisch, dat het waard is om ervoor naar Groningen of België te reizen.

Zelden werd Bernhards woede zo raak en meeslepend verwoord. De auteur kon zich geen betere vertolker wensen.

De Volkskrant , Marian Buijs, 23 september 1997

Nederlands