Nusch , de samenwerking tussen Stan en Rosas, leidt tot een pure en gevoelige theaterervaring die lang bijblijft.

Tg Stan speelt thuis. Gewoon in de repetitieruimte. Voor nusch schuift het publiek aan een tafel aan. Buitenmaats. Er kan 28 man rond. Frank Vercruyssen vult de glazen, vertelt iets over de druivensoort en de wijnmakers en gaat ongemerkt verder met een opsomming losse woorden.

Hoeveel adjectieven heeft een man nodig om een vrouw te beschrijven?

Dat hangt af van de uitzonderlijkheid van de vrouw en de taalvaardigheid van de man. In dit geval ligt het ietwat bovengemiddeld. De schrijver van dienst is Paul Eluard, notoir surrealist, maar bovenal een begenadigd formuleerder van sensaties die een doorsnee mens niet eens opvallen. Het onderwerp van zijn fascinatie is zijn geliefde, Nusch. Hij plaatst haar op een voetstuk.

De tafel is een podium. Er huist een danseres. Op de première is dat Anne Teresa De Keersmaeker; later in de reeks nemen andere Rosas-danseressen over. Soms ligt ze languit, als in een slaap. Of ze zit op de tafelrand. Op haar knieën gezeten, leunt ze voorover. In die pose bestaan er beelden, van George Minne of Wilhelm Lehmbruck. Zo fragiel ziet ze er ook uit.

Dit lichaam ontvangt. Het is het canvas waarop de woorden geprojecteerd worden. Zoveel adjectieven voor één persoon. Ze moet alles overrompelend zijn. Richtinggevend. Ze is de spil waar alles rond draait. Het rustpunt waar alles naar terugkeert. Zo zijn veel van Eluards gedichten ook opgebouwd. Een brede waaier observaties komt samen in het individu, dat zich laat volstromen. Het slorpt de indrukken op tot in zijn diepste vezels. Eluard zegt dat zoveel mooier: "Hoe het daglicht doordringt tot in het diepste van mijn ogen."

Totaal onspectaculair beweegt Frank Vercruyssen zich rond de tafel, soms in het vizier, soms achter de ruggen van zijn publiek. Hij ritst het poëtische jasje van de dichtregels open en haalt er de gedachten uit. Ze zijn mooi, helder en intens. Soms gaan de gedachten te snel (ons brein te traag), maar even later vallen spreek- en denkritme weer samen.

Volgens de aloude collagetechniek schikten Vercruyssen en Judith Davis hun gedichten eerst rond een vrouwelijke, dan een mannelijke spreker. Om vervolgens over te gaan in liefdeslyriek, die gloedvol wordt, kracht geeft en de focus bepaalt, "als een zon die toestemt in het geluk". Waar de woorden halt houden, krijgt het dansende lichaam de vrijheid. Het is ingetogen, schuifelt, weifelt, draait ook vastberaden spiralen en schopt. Vaak zijn de ogen geloken. Als ze naar de spreker kijken, geven ze niet de indruk die te zien.

Een paar keer komen Vercruyssen en De Keersmaeker dicht bij elkaar. Zij klemt zich tegen een pilaar; hij behoedt haar voor de val. Een andere keer komt het tot een schaarse aanraking. Zoveel liefde, en toch zo weinig contact. Is zij er wel? Of is ze een beeld? Een herinnering?

Dan gaat ze af. De datum die gezegd wordt (28/11/1946) klinkt kil tussen zoveel poëzie. Het is de sterfdag van Nusch. Onverwacht. Hersenbloeding. Vanaf dan getuigen de regels van ontreddering. Elke zin probeert het verlies gestalte te geven, met dezelfde moedige vergeefsheid die in Schaduwkind van PF Thomése zit. "Ik ben gestruikeld," zegt de man, "over uw afwezigheid".

Het publiek kwam samen rond een gezellige tafel. Of was het een koffietafel?

Nusch is buitengewoon simpel van opzet. Gewoon en zuiver en raak. Het stuk voegt zich bij het kleine kransje dat niet langer voorstelling heet, maar een ervaring. Voor heel lang. "Een druppel vuur, altijd opnieuw."

De Standaard, Geert Sels, 6 december 2006

Nederlands