Excursies vanaf het rond punt

een stuk van Geert Sels over 20 jaar tg STAN

Tg STAN bestaat twintig jaar. In die periode is het collectief een open structuur geworden, die gastvrij is jegens invités en verschillende wegen bewandelt. Zijn verjaardag wordt een duurfeest waaraan verwante zielen deelhebben.

Vermoedelijk was het in 1990. Zeker is dat het in het Leuvense kunstencentrum STUK was. Toen nog ’t Stuc, een groezelig zaaltje met onverbiddelijke klapstoeltjes, in het hart van de campus sociale wetenschappen. Hier heb ik voor het eerst tg STAN gezien.
We zijn er omzeggens samen aan begonnen. Een jaar eerder finaliseerde het collectief zijn opleiding aan het Antwerps conservatorium. Vrijwel onmiddellijk werden zijn twee afstudeerprojecten via het circuit van de kunstencentra opgepikt. De leden van Tg STAN wáren acteurs, bij mij manifesteerde zich een vaag verlangen tot recenseren. Zij hadden hun stem gevonden, ik moest uit de brokstukken van afzonderlijke kijkervaringen nog een smaak samenstellen. Dat heeft nog even geduurd. Ik heb die keer niet over Achter de canapé/Yvonne op geschreven. Dat lijkt mij voor alle betrokkenen een goede zaak.

Wat heb ik toen meegemaakt? Hoe graag zou ik het u vertellen. Ik herinner me dat de voorstelling niet in de gebruikelijke zaalopstelling speelde, maar in een kleinere opstelling. Een beperkt groepje publiek zat dicht bij de acteurs. Er waren meubelen uit een brocanterie, met stoelen kriskras door elkaar. Er werd driftig gespeeld, de replieken schoten snel en heftig heen en weer. Het was vooral tekst, zuivere en heldere tekst, geen gedoe met handelingen, inleving en doen-alsof. Ik behoor tot het type mensen dat dat eerlijk vindt. De voorstelling was vrij plots gedaan, ik moet de plotverwikkelingen naar het eind toe een beetje zoek geweest zijn. De stelligheid van de acteurs op de speelvloer is me bijgebleven.

Indrukwekkend is dat bezinksel op de bodem van het geheugen niet te noemen. Gelukkig kan ik er vanuit het heden één en ander aan toevoegen, wat enkele elementen van die kortstondige kennismaking een ander gewicht geeft. Eén element is dat de kunstencentra, fris als jonge lentesla, in die periode een productionele component in hun portefeuille hadden. De meeste hielden er een tweede plateau op na waar jonge groepen werden gepresenteerd of zonder al te grote prestatiedruk nieuw werk maakten. Zo werd die andere afstudeerproductie van Tg STAN, Jan, scènes uit het leven op het land , al vrij snel vergeleken met Wanja Wanja, door die andere nieuwkomer, Theater Teater uit Mechelen. Voor de zichtbaarheid en de doorstroming van nieuw talent was zo’n structuur een goede zaak.

Wat bij die kennismaking in ‘vermoedelijk 1990’ overkwam als een dankbare vermelding op de creditlijst, is bij nader inzien een vertrekpunt geweest van een jarenlang accompagnement. Coach bij Achter de canapé/Yvonne op was Matthias de Koning, lid van het Nederlandse collectief Maatschappij Discordia. Voor die productie was hij een begeleider: iemand die de voorstelling hielp maken, die het materiaal mee kneedde en een werkwijze meebracht. Die werkwijze, met veel praten over de aanpak, een grondige tekstbehandeling, en pas vlak voor de première op de speelvloer, is een constante geworden. Als figuur is De Koning in het gesprek van de groep betrokken gebleven, zij het niet langer als coach, maar als gesprekspartner, als toetssteen voor ideeën. Bij diverse producties was hij raadsman achter de schermen. Een niet zo opgemerkte en weinig verspreide voorstelling als DeSchrijver DeKoning , rond sketches van Karl Valentin, was in 1998 het vertrekpunt voor zijn aanwezigheid als acteur op het podium. Van daaruit vertrekt binnen het oeuvre van Tg STAN een lijn van ‘geneuzelde voorstellingen’ als Vandeneedevandeschrijvervandekoningendiderot (2001), Onomatopee (2006) of We hebben een/het boek (niet) gelezen (2008).

Wellicht het belangrijkste element uit die kennismaking, is dat alles inzake stijl en acteeropvattingen er van meet af aan was. Tg STAN was niet ‘struggling for a voice’ of voorzichtig een terrein aan het aftasten. Het standpunt was ingenomen, het inzicht bepaald. De weg van tg STAN is meermaals omschreven als in de voetsporen van Maatschappij Discordia en post-Brechtiaans. In het verlengde daarvan duiken dan kenmerken op als ironisch, gedistantieerd en nonchalant. Ik pik er graag ‘gedistantieerd’ uit, omdat daar vaak verschillende, zelfs tegenstrijdige uitspraken over gedaan worden. Volgens mij worden er twee verschillende dingen mee bedoeld.
Een eerste soort afstandelijkheid heeft betrekking op het tekstuniversum, inclusief zijn personages en gebeurtenissen. Het is de fictieve wereld van het stuk, waarin mensen handelen en voelen, emoties hebben, elkaar mededelingen toevertrouwen. Tg STAN hoedt zich voor een identificatie met deze wereld en brengt dan ook geen inlevingstheater. Acteurs doen niet alsof ze een personage zijn. Ze houden er afstand van. Deze afstandelijkheid wordt beter niet verward met de podiumattitude van het collectief. Want het theater van tg STAN is net heel betrokken, en dus ver van een afstandelijke belevenis in de zin van smetvrij, steriel of neutraal. Veel dialogen krijgen een stevige lading, die kan variëren van understatement tot het groteske.
De afstand tegenover de fictieve wereld van het stuk creëert ruimte waarbinnen de persoonlijke betrokkenheid van de acteur tot uiting kan komen. Dit gezegd zijnde, de jongste jaren zit er speling op deze balans. Tot op zekere hoogte sluit tg STAN identificatie met het stuk of zijn personages niet langer uit. Ook reserveloos in het spel duiken behoort nu tot het palet. In The Monkey Trial (2004) wordt er zichtbaar genoegen beleefd aan het imiteren van een rechtbank en Poquelin (2003) is puur spelplezier.

De kwestie van betrokkenheid hangt nauw samen met het engagement, dat vanaf de beginjaren aan tg STAN wordt toegeschreven. Een productie die deze beeldvorming ingrijpend bepaalde, deed zich al zeer vroeg in het oeuvre voor. In 1991 maakten Frank Vercruyssen en Willy Thomas samen Het is nieuwe maan en het wordt aanzienlijk frisser , een woedende voorstelling, gebruikmakend van teksten van Thomas Bernhard en Georg Büchner. Ze gold als een onmiddellijke reactie op de eerste Amerikaanse invasie in Irak. Uit de voorstelling sprak een hoge dosis verontwaardiging en protest. Met de middelen die kunst eigen zijn, ging ze resoluut in de tegenaanval. Expliciet zette ze een politiek thema op de gespreksagenda.

In die beginjaren ging menig interview met de groep over hoe men het medium podiumkunsten kon gebruiken om zijn positie in de wereld kenbaar te maken. Het ging niet zover dat men, zoals het theater in de jaren ’70, het medium ging inzetten als vehikel voor de politieke actie of bewustwording. De makers wilden wel hun positie als acteur bevragen en situeerden hun rol temidden van de actualiteit. Dat leidde tot openlijk politieke voorstellingen als One 2 life , over een gedetineerde die in een Amerikaanse gevangenis in death row zit. Maar ook klassieke repertoireteksten kregen bij hun enscenering een niet mis te verstane injectie actualiteitswaarde mee. JDX, a public enemy (1993), naar Henrik Ibsen en Arthur Miller, ging over een milieuschandaal en hoe dat uit politieke overlevingsdrang wordt toegedekt. Dantons dood , van Georg Büchner, kreeg met 1794 een titel die rijmde op het jaar van de première, 1994, tevens het jaar dat er Europese verkiezingen waren. Ontgoochelingen over de Franse Revolutie en hoe die zijn eigen kinderen opat, leidden tot overpeinzingen over de democratie waarin wij leven.

Uitgesproken voorstellingen als deze leidden ertoe dat tg STAN zowat als frontsoldaat werd afgespiegeld toen halfweg de jaren ’90 een bescheiden politiek reveil werd ontwaard op de theaterpodia. In die jaren was dat een opwindende vaststelling. Nu, met zicht op het panorama der jaren, dient opgemerkt dat het reveil vrij spoedig is weggeëbd. Met meer onthechtheid kijkende naar het Stanrepertoire, blijkt dat het collectief in die periode ook de kunst-over-kunst voorstelling Gewoon ingewikkeld (met Julien Schoenaerts) speelde, de salonwitzen van Oscar Wilde en de hilarische relatiestrapatsen van Noel Coward.

Maatschappelijke stimuli liggen nog steeds mee aan de grondslag van de keuzes die de groep maakt. Alleen verschilt de output met die van de beginjaren. In de eerste STANseizoenen kwamen politieke of maatschappelijke onderwerpen vaak rechtstreeks en expliciet op het podium. De voorstellingen probeerden te alarmeren en het publiek wakker te schudden. Ze dreven op een geloof in de veranderbaarheid van de toehoorder, waren overredend en deden een poging om te wegen op de publieke opinie. Het ziet er naar uit dat de STANleden hun medium in de loop der jaren meer gaan relativeren zijn. Vaak zegden ze in interviews te vrezen voor recuperatie, en zich bewust te zijn te preken voor eigen parochie.

Het is interessant om in interviews de beweegredenen voor een voorstelling te relateren aan het eindresultaat op de podia. Daar zit een opmerkelijke evolutie in. Hoe de Amerikaanse invasie in Irak en de Europese verkiezingen uitmondden in duidelijke stellingnames, is hierboven al aangegeven. Naar aanleiding van Heartbreak house (1995), over het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, vertelden de STANleden over de parallel met de gelatenheid waarmee intellectuelen reageerden op de Balkancrisis. Het werd een lichtvoetige voorstelling. In Vraagzucht (2003), op de vooravond van de tweede Amerikaanse invasie in Irak, beperkte Frank Vercruyssen zich tot één gemarkeerde passage van tien minuten om het Amerikaanse wapenbeleid op de korrel te nemen. Een paar maanden later, als de troepen in Irak zaten, sprak de groep zijn machteloosheid uit en koos hij in Poquelin voor de anti-reactie door te zwelgen in komedies van Molière. Van begin tot eind geen vuiltje in de lucht en lachen troef.

Het is een evolutie naar steeds meer terughoudendheid. Uit de voorstellingen is de beweegreden van de makers niet altijd meer eenduidig af te lezen. Wie Poquelin een eind later zag, losgeknipt van het maatschappelijk discours, keek naar een behoorlijk vet aangezet schmieren. In of/niet (2006) wordt de uitgesproken politieke satire Party time van Harold Pinter getemperd door de grappige relatiekomedie Relatively speaking van Alan Ayckbourn. Het is me nog steeds niet zo goed duidelijk wat daar precies de bedoeling van was. Was een onversneden Pinter misschien ietwat te zwaar op de hand?

Eén en ander brengt ons bij de keuzes van het collectief. Naar aanleiding van de repertoirediscussie vorig jaar was goed na te gaan dat tg STAN binnen het theaterlandschap één van de actiefste gebruikers van repertoirestukken is. Het gros van de voorstellingen berust op bestaand tekstmateriaal, en dan nog overwegend voor theater geschreven. In de beginperiode doken Oscar Wilde en Georg Büchner meermaals op, in een latere fase keerde Molière een paar keer terug. Theaterschrijvers die de groep steeds zijn blijven boeien, zijn vooral Thomas Bernhard en in iets mindere mate Anton Tsjechov.
Mondjesmaat bedient tg STAN zich van andere tekstbronnen. Die kunnen zeer uiteenlopend zijn. In One 2 life waren het brieven, in My dinner with André een filmscenario. Aan de basis van La Carta lag een roman, aan The Monkey Trial een rechtbankverslag en aan Nusch poëzie.
Het is niet zozeer de aard van het tekstmateriaal, dan wel de thema’s en de acteursbezetting die maken welke soort productie het wordt.

Wat dat betreft, was het seizoen 1994-95 een breukmoment. Voordien waren het meestal de kernleden van tg STAN die de producties invulden, een enkele keer aangevuld met verwante groepen als Maatschappij Discordia of Dito’Dito. Dat leidde meestal tot een viertal producties per seizoen. In 1994-95 waren er dat plots acht. De kernleden zwermden alle kanten uit, en deden een soloproject of gingen verrassende samenwerkingen aan met acteurs buiten de groep. Ramen en deuren werden opengegooid, nieuwe allianties werden aangegaan. Zo is het nadien gebleven. Tg STAN is een verzamelplaats: de trekker van een project kan zowel kernleden als spelers van buitenaf rond zich verzamelen. Als organisatievorm is tg STAN te vergelijken met een rond punt van waaruit diverse wegen vertrekken. Elk lid heeft de vrijheid een richting in te slaan. Zonder dat profielontwikkeling een streefdoel is, beginnen zich doorheen de jaren gewoontes af te tekenen. Sara De Roo keert vaak terug in relatiestukken, Damiaan De Schrijver heeft een voorliefde voor sterk aangezet komisch spel, Frank Vercruyssen schuwt de politieke stelling niet en Jolente De Keersmaker zou het er aardig vanaf brengen als bewegingskunstenaar.

De toegangswegen op het rond punt gaan verschillende richtingen uit. Soms hangt die richting samen met het gezelschap waarmee de groep optrekt. Dat is een poos Dito’Dito geweest, later kwam er een gerichte periode met danscompagnie ROSAS, er was een voorzichtige toenadering tot Cie de Koe en recentelijk zijn er regelmatig ad hoc-samenstellingen met leden van Maatschappij Discordia, Dood Paard en Cie de Koe. Andere keren wordt de richting ingegeven door de aard van de voorstelling. Die kan politiek geïnspireerd zijn, een grondige lezing van een repertoirestuk, eerder dansant of uitgesproken komisch.

In zijn beginjaren stonden de leden van tg STAN met zijn allen samen in het hart van dat rond punt, later zijn ze steeds meer van die toegangswegen gaan gebruiken. Wat dat betreft, lijkt de evolutie van het collectief op de etappes van de staatshervorming. Het vertrekpunt is de federale staat, met een gezamenlijke aanpak en één programma waarover consensus bestaat. Met de verzelfstandiging van de gemeenschappen ontstaat een meer losvaste samenhang. Toegepast op tg STAN: de leden staan in voor deelbevoegdheden en slaan met hun producties uiteenlopende richtingen in. Er is respect voor het verschil, er is respect om wel of niet in een bepaalde richting mee te gaan. Frisheid en scherpte streeft men na door externe input, nu en dan zoekt men opnieuw naar de kern door terug te keren naar de basisbezetting. Toen de vier leden in 2006 of/niet speelden, stelden ze tot hun eigen verbazing vast dat het haast tien jaar geleden was dat ze nog eens ‘op zichzelf’ waren ( Private lives , 1997).

De vraag is welke kern men aantreft door naar de basisbezetting terug te keren. Of denkt terug te vinden. Interessant is om het discours te bekijken dat ontstaat in het buitenland. De nieuwsgierigheid naar internationale podia deed zich bij tg STAN al vroeg voor. Frank Vercruyssen maakte in het Noorse Bergen The Answering Machine (1994) en in het Amerikaanse Oakland One 2 life (1996), rond dezelfde periode begon de groep Lissabon aan te doen voor workshops en producties. Van dan af werden steeds vaker Franse en Engelse versies van voorstellingen aangemaakt om buitenlandse tournees op te zetten. Sinds 2000 is Tg Stan een vaste gast in Festival d’Automne in Parijs, met een regelmatige aanwezigheid elders in Frankrijk tot gevolg.

Het discours rond een groep komt van twee kanten. Vooreerst werd de perceptie rond de groep, met noties als ironisch, gedistantieerd en nonchalant, uitgebreid onder de ‘vreemde blik’. Franse commentatoren en programmatoren plegen zich nogal te verbazen over de speelstijl en de werkwijze. Al in 2000 vertrouwde een openhartig programmator me toe dat tg STAN het Frans theater kon helpen terugkeren naar de kern van de zaak, omdat men toch wel erg verzeild geraakt was in het theatrale. Vijf jaar later schreef Fabienne Darge in Le Monde dat tg STAN een nieuwe manier gevonden had om theater te maken, “die de kunstvorm opnieuw urgentie en noodzaak gaf”. De vrijmoedige aanpak en de gedepouilleerde speelstijl waren kenmerken die sindsdien deel gingen uitmaken van de beeldvorming.
Dat is één zijde van het discours. Want de nieuwsgierigheid van commentatoren bracht de STANleden ertoe hun werk en werkwijze toe te lichten. Het beeld dat ze van zichzelf uitdragen blijkt voor een deel achterhaald. Veel discussiëren, de tekst uitbenen, zo weinig mogelijk fixeren voor de première, het is nog altijd een deel van de aanpak. Gezamenlijk het origineel vertalen is dat ondertussen iets minder. Voor Nusch en Brandhout. Een irritatie staan vertalers op de creditlijst. Meinedigheid of koketterie is het laatste waar ik tg STAN van verdenk, maar de uitspraak (meermaals) dat de groep niet geïnteresseerd is in virtuositeit, strookt niet langer met de feiten. Een mooi voorbeeld om die evolutie aan te geven, zijn de twee quasi-monologen van Thomas Bernhard die Damiaan De Schrijver op een tijdsspanne van tien jaar bracht. Oude meesters was een gevoelig en kwetsbaar portret, waarin arrogantie en wanhoop van de verteller om het overwicht streden. Brandhout. Een irritatie , dat vorig seizoen in première ging, dreef volledig op bravoure.

Uiteraard is tg STAN op twintig jaar tijd veranderd. De tekstgevoeligheid en de intelligentie staan nog steeds als een huis, de integriteit tegenover het materiaal is intact. Het geloof in de zeggingskracht van het medium lijkt iets verkleind, zodat maatschappelijke stellingnames in aantal en stelligheid afgenomen zijn. Het collectief lijkt vooral heel veel wegen die het voordien vanuit een rigoureuze opstelling uitsloot, toch toe te laten. Het is milder, minder strak in de leer, en verkent zodoende aspecten van het metier die voordien minder aan bod kwamen. Om dan te wachten tot de combinatie van ambacht, integriteit en actuele relevantie zich voordoet. Dat is nog altijd tg STAN op zijn best.

20 jaar tg STAN

Tg STAN viert zijn twintigste verjaardag met een blind date van marathonproporties. In het Kaaitheater en Monty is er telkens een non-stop programma van 24 uur waarin tg STAN stukken uit oud en nieuw werk speelt, en verwante theatermakers, muzikanten, dansers en VIPs uitnodigt voor een interventie.

Het publiek weet op voorhand niet wie of wat het krijgt in toestand . De voertaal zal overwegend Nederlands zijn, maar ook Engels en Frans behoren tot de mogelijkheden. Voorts zullen er gasten zijn die de groep graag ziet en waarmee hij in de loop der jaren te maken heeft gehad.

Dit alles in de sfeer van de repertoireavonden 'De Vere', waaraan in de jaren ’90 verwante groepen als Maatschappij Discordia, Dito’Dito en tg STAN samen werkten. Het concept bestond erin een lange filage te maken van beperkte presentaties, aan elkaar gelast na een korte repetitietijd.

De groep palmt heel het gebouw in en voorziet eten en drinken. Naast de centrale speelplek zijn er ruimtes met videofragmenten en een tentoonstellingsgedeelte.

Staalkaart # 1 , Geert Sels, 31 augustus 2009

Nederlands